Skip to main content

1. Gesprek - Conversation

Watch the video without reading the text first. A patient is visiting a GP (family doctor). Try to understand what is happening and what the people are saying.


The video can be found here (YouTube).

Don't forget to like the video and subscribe to the channel.

Watch the video again while reading the text. Check whether you understand more and pay attention to how the words are pronounced.


A: Goedemorgen. Komt u binnen! Wat kan ik voor u doen?
B: Goedemorgen, dokter. Ik voel me niet zo goed.
A: Wat is er aan de hand?

B: Ik heb koorts en een beetje hoofdpijn.
A: Hoest u ook?
B: Een beetje, vooral 's-avonds.
A: En hoe lang heeft u deze klachten al?
B: Sinds maandag, dus al drie dagen.
A: Ik ga even naar uw keel kijken. Zegt u eens: “aaah.”
B: Aaah.
A: Uw keel is wat rood. Ik denk dat u verkouden bent.
B: Moet ik medicijnen nemen?
A: Nee, rust nemen en veel water drinken. Als het erger wordt, belt u mij.
B: Oké, bedankt dokter.
A: Graag gedaan. Beterschap!

Read the English translation. Make sure you understand the Dutch conversation.


A: Good morning. Come in! What can I do for you?
B: Good morning, doctor. I don’t feel very well.
A: What’s the problem?
B: I have a fever and a bit of a headache.
A: Are you coughing as well?
B: A little, especially in the evening.
A: And how long have you had these symptoms?
B: Since Monday, so for three days already.
A: I’m going to look at your throat. Please say “aaah.”
B: Aaah.
A: Your throat is a bit red. I think you have a cold.
B: Do I need to take any medicine?
A: No, get some rest and drink plenty of water. If it gets worse, call me.
B: Okay, thank you, doctor.
A: You’re welcome. Get well soon!

Listen to the conversation and repeat each sentence.

2. Woordenschat - Vocabulary

Dutch

English

Komt u binnen!

Come in!

de dokter (-s / -en)

doctor

voelen

to feel

Wat is er aan de hand?

What’s the matter?

de hoofdpijn

headache

de koorts

fever

hoesten

to cough

de klacht (-en)

complaint / symptom

sinds

since

de keel (-en)

throat

verkouden

to have a cold

het medicijn (-en)

medicine

erger

worse

Beterschap!

Get well soon!

3. Grammatica - Grammar

Hebben – irregular verb

The verb hebben (“to have”) is very common in Dutch.
It is irregular and is used:

  • to talk about possession (I have a bike),
  • to talk about symptoms (I have a headache),
  • as an auxiliary verb in past tenses (later).


Present tense of hebben

Subject

Form

Meaning

ik

heb

I have

jij

hebt

you have

u

heeft

you have (formal)

hij / zij

heeft

he/she has

wij

hebben

we have

jullie

hebben

you have (plural)

zij

hebben

they have


Important

  • In questions with jij, the -t disappears:
    Heb jij een pen? – Do you have a pen?
  • With u and hij/zij, always use heeft (not hebt).


Examples

  • Ik heb een fiets. – I have a bike.
  • Heb jij honger? – Are you hungry?
  • Hij heeft twee broers. – He has two brothers.
  • Wij hebben vandaag les. – We have class today.
  • U heeft gelijk. – You are right.

Complete the sentences with the correct form of hebben.

  1. Ik                             een grote familie.
  2. Zij                            een mooie tuin.
  3. Jij                             een nieuwe jas, toch?
  4. Wij                          vandaag geen les.
  5. Hij                            altijd veel werk.
  6. Jullie                       een afspraak om drie uur.
  7. U                              gelijk, meneer.
  8. Mijn vrienden en ik                           honger.
  9.                                  jij een momentje?
  10. De kinderen                         een kat en een hond.

4. Nederlands Plus - Dutch plus


Parts of the body

Dutch

English

het hoofd (-en)

head

het gezicht (-en)

face

het oog (-en)

eye

het oor (-en)

ear

de neus (-zen)

nose

de mond (-en)

mouth

de tand (-en)

tooth

de nek (-en)

neck

de schouder (-s)

shoulder

de arm (-en)

arm

de hand (-en)

hand

de vinger (-s)

finger

de borst (-en)

chest

de buik (-en)

stomach

de rug (-en)

back

het been (-en)

leg

de knie (-en)

knee

de voet (-en)

foot

de teen (-en)

toe


Illnesses and symptoms

Dutch

English

Ik voel me niet goed.

I don’t feel well.

Ik heb koorts.

I have a fever.

Ik hoest.

I am coughing.

Ik heb keelpijn.

I have a sore throat.

Ik heb hoofdpijn.

I have a headache.

Ik ben verkouden.

I have a cold.

Mijn buik doet pijn.

My stomach hurts.

Ik heb diarree.

I have diarrhoea.

Ik heb griep.

I have the flu.

5. Spreken - speaking

    • Ben je weleens ziek geweest in Nederland?
    • Wat doe jij als je je niet goed voelt?
    • Wanneer ben jij voor het laatst verkouden geweest?
    • Heb je ooit koorts gehad? Hoe hoog was het?
    • Ga je snel naar de dokter of wacht je liever?
    • Welke klachten vind jij vervelend?

6. Extra oefeningen - Extra practice

  1. Ik                             hoofdpijn.
  2. Hij                            een nieuwe fiets.
  3. Wij                          morgen een toets.
  4. U                              gelijk, dokter.
  5. Zij                            een kat en een hond.
  6.                                  jij koorts?
  7. Mijn ouders                         een grote tuin.
  8. Jullie                       geen tijd.
  1. jij / hoofdpijn / heb
  2. koorts / heeft / u
  3. een afspraak / morgen / hebben / jullie
  4. buikpijn / jij / heb
  5. hebben / vrienden / veel / mijn / boeken
  1. Ik hoest veel. Ik ben                         .
  2. Ik heb 39 graden. Ik heb                                .
  3. Mijn                        doet pijn als ik praat.
  4. Na het eten heb ik pijn in mijn                    .
  5. Ik voel me niet goed. Ik heb                         .
    1. Wat kan ik voor u doen?                                a. Sinds maandag, dus vier dagen.
    2. Heeft u koorts?                                                 b. Nee, alleen rust en veel water.
    3. Hoest u ook?                                                      c. Ik voel me niet zo goed.
    4. Sinds wanneer heeft u klachten?               d. Ja, gisteren 38,5 graden.
    5. Moet ik medicijnen nemen?                        e. Een beetje, vooral ’s avonds.
    1. I have a headache.
    2. I have a cold.
    3. I have a fever.
    4. My stomach hurts.
    5. I am coughing.

Antwoorden - key

Doing exercises is an essential part of the learning process. Don't worry about how many mistakes you make—mistakes are a normal and valuable part of learning.

When checking your answers, focus on understanding why an answer is correct. This will help you learn more effectively and avoid making the same mistakes in the future.

  1. Ik heb een grote familie.
  2. Zij heeft/hebben een mooie tuin.
  3. Jij hebt een nieuwe jas, toch?
  4. Wij hebben vandaag geen les.
  5. Hij heeft altijd veel werk.
  6. Jullie hebben een afspraak om drie uur.
  7. U heeft gelijk, meneer.
  8. Mijn vrienden en ik hebben honger.
  9. Heb jij een momentje?
  10. De kinderen hebben een kat en een hond.
  1. Ik heb hoofdpijn.
  2. Hij heeft een nieuwe fiets.
  3. Wij hebben morgen een toets.
  4. U heeft gelijk, dokter.
  5. Zij heeft/hebben een kat en een hond.
  6. Heb jij koorts?
  7. Mijn ouders hebben een grote tuin.
  8. Jullie hebben geen tijd.
  1. Heb jij hoofdpijn?
  2. Heeft u koorts?
  3. Hebben jullie morgen een afspraak?
  4. Heb jij buikpijn?
  5. Hebben mijn vrienden veel boeken?
  1. Ik hoest veel. Ik ben verkouden.
  2. Ik heb 39 graden. Ik heb koorts.
  3. Mijn keel doet pijn als ik praat.
  4. Na het eten heb ik pijn in mijn buik.
  5. Ik voel me niet goed. Ik heb hoofdpijn.

1c, 2d, 3e, 4a, 5b

  1. Ik heb hoofdpijn.
  2. Ik ben verkouden.
  3. Ik heb koorts.
  4. Ik heb buikpijn.
  5. Ik hoest.