Skip to main content

1. Gesprek - Conversation

Watch the video without reading the text first. Two classmates are talking on Friday afternoon about their weekend plans. Try to understand what is happening and what they are saying.


The video can be found here (YouTube).

Don't forget to like the video and subscribe to the channel.

Watch the video again while reading the text. Check whether you understand more and pay attention to how the words are pronounced.


A: Wat ga je dit weekend doen? 
B: Ik ga naar mijn ouders in Breda. En jij?
A: Ik blijf in de stad. Ik ga zaterdag naar de markt.
B: Gezellig! Ga je met iemand?
A: Ja, met een vriendin. We gaan groenten en kaas kopen.
B: Lekker. En zondag?
A: Dan ga ik uitslapen en misschien een film kijken.
B: Ik ook. Ik wil eindelijk die nieuwe serie zien.
A: Leuk! En ga je nog studeren?
B: Ja, helaas wel. We hebben maandag een toets.
A: O ja, bijna vergeten! Dan ga ik ook studeren zondagavond.
B: Goed idee. Maar eerst: weekend!
A: Precies. Fijn weekend alvast!
B: Jij ook!

Read the English translation. Make sure you understand the Dutch conversation.


A: What are you going to do this weekend?
B: I’m going to my parents in Breda. And you?
A: I’m staying in the city. I’m going to the market on Saturday.
B: Nice! Are you going with someone?
A: Yes, with a friend. We’re going to buy vegetables and cheese.
B: Tasty. And Sunday?
A: Then I’m going to sleep in and maybe watch a film.
B: Me too. I finally want to watch that new series.
A: Nice! And are you going to study too?
B: Yes, unfortunately. We have a test on Monday.
A: Oh yes, I almost forgot! Then I’m going to study on Sunday evening too.
B: Good idea. But first: weekend!
A: Exactly. Have a nice weekend in advance!
B: You too!

Listen to the conversation and repeat each sentence.

2. Woordenschat - Vocabulary

Dutch

English

blijven

to stay / to remain

iemand

someone

de groente (-s/-n)

vegetables

uitslapen

to sleep in

de serie (-s)

series

helaas

unfortunately

de toets (-en)

test

vergeten

to forget

eerst

first

precies

exactly

3. Grammatica - Grammar

The near future with gaan

In Dutch, the near future is often expressed with gaan + infinitive (similar to English “going to”). It shows that someone plans to do something or that something will probably happen soon.


Conjugated “gaan” + infinitive

Subject

gaan

Example

ik

ga

Ik ga werken. – I’m going to work.

jij / u

gaat

Je gaat studeren. – You’re going to study.

hij / zij

gaat

Hij gaat slapen. – He’s going to sleep.

wij

gaan

Wij gaan eten. – We’re going to eat.

jullie

gaan

Jullie gaan reizen. – You’re going to travel.

zij

gaan

Zij gaan wandelen. – They’re going to walk.


Important

  • After gaan, you always use the infinitive.
  • In negative sentences, niet comes after gaan and before the main verb:
    Ik ga niet werken. – I’m not going to work.

Change the sentences into the gaan-future.

  1. Hij kookt vanavond.
  2. Wij wandelen in het park.
  3. Jij leest een boek.
  4. Ik koop brood bij de bakker.
  5. Zij leren Nederlands.
  6. Jullie maken huiswerk.
  7. De kinderen spelen buiten.
  8. Mijn moeder belt haar vriendin.
  9. De studenten schrijven een toets.
  10. Jij kijkt televisie.

4. Nederlands Plus - dutch plus


Dutch

English

de hobby (-s)

hobby

muziek luisteren

to listen to music

wandelen

to go for a walk

tekenen

to draw

spelletjes spelen

to play games

met vrienden afspreken

to meet up with friends

naar de bioscoop gaan

to go to the cinema

If you have other hobbies or free-time activities, look them up in Dutch.


Useful sentences

  • Wat doe jij graag in je vrije tijd? – What do you like to do in your free time?
  • Ik lees graag. – I like reading.
  • Ik hou van tekenen en fietsen. – I like drawing and cycling.
  • In het weekend ga ik vaak naar de bioscoop. – At the weekend I often go to the cinema.
  • Mijn hobby is koken. – My hobby is cooking.

5. Spreken - speaking

    • Wat is jouw hobby?
    • Wat doe je graag in het weekend?
    • Ga je graag naar de bioscoop?
    • Sport je? Zo ja, welke sport?
    • Wat doe je liever: lezen of tv kijken?

Denk na over je eigen vrijetijdsbesteding en vertel in minimaal 3 zinnen in het Nederlands wat je gewoonlijk doet en wat je leuk vindt. - Think about your own free-time activities. Say at least three sentences in Dutch about what you usually do and what you like.

6. Extra oefeningen - Extra practice

  1. Wat ga je dit weekend doen?                      a. Ja, helaas. We hebben maandag een toets.
  2. Ga je met iemand naar de markt?             b. Jij ook, dank je!
  3. Wat ga je zondag doen?                                c. Ik ga zaterdag mijn ouders bezoeken.
  4. Ga je nog studeren dit weekend?               d. Ja, met een vriendin.
  5. Fijn weekend alvast!                                       e. Dan ga ik uitslapen en misschien een film kijken.
  1. Ik                             morgen boodschappen doen op de markt.
  2. Jij                             vanavond een film kijken.
  3. Wij                          dit weekend pizza eten.
  4. Hij                            zijn ouders in Amsterdam bezoeken.
  5. Jullie                       straks muziek luisteren.
  6. Jan en Ellen                          in het park wandelen.
  1. uitslapen              a. test
  2. serie                      b. someone
  3. toets                      c. to sleep in
  4. iemand                 d. series
  5. precies                  e. exactly
  1. Wat                                         je morgen doen?
  2. Ik ga zaterdag                                      de markt.
  3. Ik ga studeren voor de                                     van maandag.
  4. Doe je                                    sport?
  5. Wij gaan die nieuwe film                                               .

Antwoorden - key

Doing exercises is an essential part of the learning process. Don't worry about how many mistakes you make—mistakes are a normal and valuable part of learning.

When checking your answers, focus on understanding why an answer is correct. This will help you learn more effectively and avoid making the same mistakes in the future.

  1. Hij gaat vanavond koken.
  2. Wij gaan wandelen in het park. / Wij gaan in het park wandelen.
  3. Jij gaat een boek lezen
  4. Ik ga brood kopen bij de bakker.
  5. Zij gaan Nederlands leren.
  6. Jullie gaan huiswerk maken.
  7. De kinderen gaan buiten spelen.
  8. Mijn moeder gaat haar vriendin bellen.
  9. De studenten gaan een toets schrijven.
  10. Jij gaat televisie kijken.

1c, 2d, 3e, 4a, 5a

  1. Ik ga morgen boodschappen doen op de markt.
  2. Jij gaan vanavond een film kijken.
  3. Wij gaan dit weekend pizza eten.
  4. Hij gaat zijn ouders in Amsterdam bezoeken.
  5. Jullie gaan straks muziek luisteren.
  6. Jan en Ellen gaan in het park wandelen.

1c, 2d, 3a, 4b, 5e

      1. Wat ga je morgen doen?
      2. Ik ga zaterdag naar de markt.
      3. Ik ga studeren voor de toets van maandag.
      4. Doe je aan sport?
      • Wij gaan die nieuwe film kijken.