Skip to main content

1. Gesprek - Conversation

Watch the video without reading the text first. Two people talk about their holiday. Try to understand what is happening and what they are saying.


The video can be found here (YouTube).

Don't forget to like the video and subscribe to the channel.

Watch the video again while reading the text. Check whether you understand more and pay attention to how the words are pronounced.


A: Hoi Lisa! Hoe was je vakantie?

B: Hoi Tom! Mijn vakantie was leuk. Ik was in Frankrijk.

A: Leuk! Wat deed je daar?

B: Ik zwom in de zee, ik wandelde in de bergen en ik at veel lekker eten.

A: Klinkt goed! Was je alleen?

B: Nee, ik was met mijn familie.

A: En hoe was het weer?

B: Het was warm en zonnig. En jij? Wat deed jij in de vakantie?

A: Ik bleef thuis. Ik las boeken, keek films en sliep veel.

B: Ook fijn! Soms is rusten het beste.

A: Ja, dat klopt! 

Read the English translation. Make sure you understand the Dutch conversation.


A: Hi Lisa! How was your holiday?
B: Hi Tom! My holiday was nice. I was in France.
A: Nice! What did you do there?
B: I swam in the sea, I hiked in the mountains, and I ate a lot of tasty food.
A: Sounds good! Were you alone?
B: No, I was with my family.
A: And how was the weather?
B: It was warm and sunny. And you? What did you do during the holiday?
A: I stayed at home. I read books, watched films and slept a lot.
B: That’s nice too! Sometimes resting is the best.
A: Yes, that’s true!

Listen to the conversation and repeat each sentence.

2. Woordenschat - Vocabulary

Dutch

English

de vakantie (-s)

holiday

Hoe was je vakantie?

How was your holiday?

Frankrijk

France

Wat deed je daar?

What did you do there?

de zee (-en)

sea

de berg (-en)

mountain

lekker eten

tasty food / nice food

met mijn familie

with my family

zonnig

sunny

thuis blijven

to stay at home

boeken lezen

to read books

films kijken

to watch films

veel slapen

to sleep a lot

ontspanning

relaxation

Dat is ook fijn.

That’s nice too.

buitenland

abroad

3. Grammatica - Grammar

Simple past II – irregular verbs

In Dutch, many verbs have an irregular past tense. This means they do not take the regular endings -te / -de. You need to learn these past forms.


Common examples:

Present

Past (singular / plural)

English

zijn

was / waren

to be

hebben

had / hadden

to have

gaan

ging / gingen

to go

komen

kwam / kwamen

to come

doen

deed / deden

to do

zien

zag / zagen

to see

eten

at / aten

to eat

nemen

nam / namen

to take

lezen

las / lazen

to read

drinken

dronk / dronken

to drink

schrijven

schreef / schreven

to write

slapen

sliep / sliepen

to sleep

The first form is singular, the second is plural.


Questions in the past

In questions, the verb and the subject switch places, just like in the present:

  • Wat deed je gisteren? – What did you do yesterday?
  • Waar ging hij op vakantie? – Where did he go on holiday?


Negatives in the past

Word order is the same as in the present: niet comes after the verb:

  • Ik ging niet naar het strand. – I didn’t go to the beach.
  • Ik werkte gisteren niet thuis. – I didn’t work at home yesterday.

Complete the sentences with the correct past tense form.

  1. Ik                             gisteren naar het park. (gaan)
  2. We                          een mooi boek. (lezen)
  3. Hij                            geen koffie. (drinken)
  4. Jij                             een lange e-mail. (schrijven)
  5. Zij                            een broodje in de lunchpauze. (eten)
  6. Jullie                       laat op school. (komen)
  7. Wij                          een interessante film. (zien)
  8. Ik                             mijn sleutels niet mee. (nemen)
  9. U                              thuis en niet op kantoor. (zijn)
  10. Hij                            zijn huiswerk. (doen)

4. Nederlands Plus - Dutch plus

Read and try to understand this short text about Hungary.



Welkom in Hongarije


Hongarije is een mooi land in Midden-Europa. De hoofdstad is Boedapest. Dat is een grote en levendige stad met de rivier de Donau in het midden. Je kunt er mooie gebouwen, bruggen en badhuizen zien. Veel mensen bezoeken het parlement en het Buda-kasteel.

In Hongarije eet je lekker. Typische gerechten zijn goulashsoep en lángos. In de zomer zijn er veel festivals en concerten. Het Balatonmeer is een populaire plek voor vakantie. Mensen zwemmen, zeilen en wandelen daar graag.

Hongaren zijn vriendelijk en gastvrij. In het land spreken mensen Hongaars, maar in Boedapest spreken veel mensen ook Engels of Duits.

Kom naar Hongarije en ontdek de cultuur, natuur en het lekkere eten!


Useful words for describing a country

Dutch

English

bezienswaardigheid

sight / tourist attraction

het meer (-en)

lake

de rivier (-en)

river

de hoofdstad (hoofdsteden)

capital city

de zee (-en)

sea

het strand (-en)

beach

de berg (-en)

mountain

het eiland (-en)

island

het park (parken)

park

de natuur

nature

de toerist (-en)

tourist

het kasteel (kastelen)

castle

de haven (-s)

harbour / port

de kust

coast

de waterval (-len)

waterfall

de cultuur

culture

het museum (musea)

museum


Use the sample text about Hungary and these words to write some sentences about your own country.

5. Spreken - speaking

    • Waar was jij in de vakantie?
    • Wat deed je op vakantie?
    • Met wie was je op vakantie?
    • Hoe was het weer?
    • Wat vond je het leukst op vakantie?
    • Heb je veel gerust of veel gedaan?
    • Ging je naar het buitenland of bleef je thuis?
    • Wat at je op vakantie?
    • Wat voor weer vind jij fijn op vakantie?
    • Lees jij graag boeken op vakantie?

6. Extra oefeningen - Extra practice

  1. Ik                                             naar Frankrijk. (gaan)
  2. Zij                                            met haar vrienden. (komen)
  3. Hij                                            een broodje kaas. (eten)
  4. Wij                                          veel foto’s. (nemen)
  5. Jij                                             een spannend boek. (lezen)
  6. De kinderen                                         op vakantie. (zijn)
  7. Ik                                             tot tien uur. (slapen)
  8. Jullie                                       een film in de bioscoop. (zien)
  9. Hij                                            zijn huiswerk niet. (doen)
  10. Wij                                          geen geld bij ons. (hebben)
  1. Jij ging naar Spanje. → Waar … ?
  2. Ik at pizza. → Wat … ?
  3. Hij las een boek. → Welk boek … ?
  4. Wij kwamen laat thuis. → Wanneer … ?
  5. Zij deed sport in de vakantie. → Welke sport … ?
  1. Waar was je in de vakantie?         a. Ik was met mijn familie.
  2. Hoe was het weer?                          b. Ik wandelde in de bergen en zwom in de zee.
  3. Met wie was je?                                c. Het was warm en zonnig.
  4. Wat deed je daar?                            d. In Frankrijk.
  5. Wat vond je het leukst?                 e. De zee vond ik het leukst!
      1. Yesterday I slept a lot.
      2. Where were you in summer?
      3. He was in France.
      4. We read many books.
      5. The children didn’t go to the beach.
        1. A: Hoe was je vakantie?
          B:                                            
        2. A: Wat deed je in de vakantie?
          B:                                            
        3. A: Ging je naar het buitenland?
          B:                                            

                a. Ik las boeken en keek films.

                b. Ja, ik was in Frankrijk.

                c. Het was heel leuk!

Antwoorden - key

Doing exercises is an essential part of the learning process. Don't worry about how many mistakes you make—mistakes are a normal and valuable part of learning.

When checking your answers, focus on understanding why an answer is correct. This will help you learn more effectively and avoid making the same mistakes in the future.

  1. Ik ging gisteren naar het park.
  2. We lazen een mooi boek.
  3. Hij dronk geen koffie.
  4. Jij schreef een lange e-mail.
  5. Ellen at een broodje in de lunchpauze.
  6. Jullie kwamen laat op school.
  7. Wij zagen een interessante film.
  8. Ik nam mijn sleutels niet mee.
  9. U was thuis en niet op kantoor.
  10. Hij deed zijn huiswerk.
  1. Ik ging naar Frankrijk.
  2. Zij kwam met haar vrienden.
  3. Hij at een broodje kaas.
  4. Wij namen veel foto’s.
  5. Jij las een spannend boek.
  6. De kinderen waren op vakantie.
  7. Ik sliep tot tien uur.
  8. Jullie zagen een film in de bioscoop.
  9. Hij deed zijn huiswerk niet.
  10. Wij hadden geen geld bij ons.
  1. Waar ging jij naartoe?
  2. Wat at ik?
  3. Welk boek las hij?
  4. Wanneer kwamen wij thuis?
  5. Welke sport deed zij in de vakantie?

1d, 2c, 3a, 4b, 5e

  1. Ik sliep veel gisteren.
  2. Waar was je in de zomer?
  3. Hij was in Frankrijk.
  4. We lazen veel boeken.
  5. De kinderen gingen niet naar het strand.

1c, 2a, 3b