Skip to main content

1. Gesprek - Beszélgetés

A szöveg elolvasása nélkül nézd meg a videót egy háziorvoshoz látogató betegről, és próbáld megérteni, mi történik, és mit mondanak az emberek.


A videó itt található.


Ne felejtsétek el lájkolni a videót és feliratkozni a csatornára

Nézd meg a videót, miközben olvasod a szöveget. Nézd meg, megértesz-e többet, és hogyan kell kiejteni a szavakat.


A: Goedemorgen. Komt u binnen! Wat kan ik voor u doen?
B: Goedemorgen, dokter. Ik voel me niet zo goed.
A: Wat is er aan de hand?

B: Ik heb koorts en een beetje hoofdpijn.
A: Hoest u ook?
B: Een beetje, vooral 's-avonds.
A: En hoe lang heeft u deze klachten al?
B: Sinds maandag, dus al drie dagen.
A: Ik ga even naar uw keel kijken. Zegt u eens: “aaah.”
B: Aaah.
A: Uw keel is wat rood. Ik denk dat u verkouden bent.
B: Moet ik medicijnen nemen?
A: Nee, rust nemen en veel water drinken. Als het erger wordt, belt u mij.
B: Oké, bedankt dokter.
A: Graag gedaan. Beterschap!

Olvasd el a  magyar fordítást. Győződj meg róla, hogy érted a holland beszélgetést.


A: Jó reggelt. Jöjjön be! Miben segíthetek?

B: Jó reggelt, doktor úr. Nem érzem jól magam.

A: Mi a baj?

B: Lázam van és enyhe fejfájásom.

A: Köhög is?

B: Egy kicsit, főleg esténként.

A: És mióta fennállnak ezek a tünetek?

B: Hétfő óta, tehát már három napja.

A: Hadd nézzem meg a torkát. Mondja, hogy "áá".

B: Ááá.

A: A torka kicsit piros. Azt hiszem, megfázott.

B: Szedjek valami gyógyszert?

A: Nem, pihenjen és igyon sok vizet. Ha rosszabbodik, hívjon fel.

B: Rendben, köszönöm, doktor úr.

A: Szívesen. Gyógyuljon meg hamar!

Hallgasd meg a beszélgetést, és ismételd el az egyes mondatokat.

2. Woordenschat - Szókincs

Holland

Magyar

Komt u binnen!

Tessék bejönni!

de dokter (-s -en)

orvos

voelen

érezni

Wat is er aan de hand?

Mi a baj?

de hoofdpijn

fejfájás

de koorts

láz

hoesten

köhögni

de klacht (-en)

panasz

sinds

óta

de keel (-en)

torok

verkouden

fázva

de medicijn (-en)

gyógyszer

erger

rosszabb

Beterschap!

Jobbulást!

3. Grammatica - Nyelvtan

Hebben – rendhagyó ige

A hebben (birtokolni, van valamije) ige nagyon gyakran használt a hollandban, és rendhagyó (nem szabályosan ragozódik). Jelentése: van valamim (birtoklás), illetve segédige múlt időkben.


Ragozás jelen időben:

Hollandul

Magyar jelentés

ik heb

nekem van

jij hebt

neked van

u heeft

önnek van

hij / zij heeft

neki van

wij hebben

nekünk van

jullie hebben

nektek van

zij hebben

nekik van

 

  • jij hebt – ha a jij az ige után áll kérdésben, akkor a -t eltűnik: 
    – Heb jij een pen? (= Van egy tollad?)
  • u és hij/zij/het alakban: heeft (nem „hebt”!).

Példamondatok:

  • Ik heb een fiets. → Van egy biciklim.
  • Heb jij honger? → Éhes vagy?
  • Hij heeft twee broers. → Két fiútestvére van.
  • Wij hebben vandaag les. → Ma óránk van.
  • U heeft gelijk. → Igaza van.

Egészítsd ki a mondatokat a megfelelő alakjával a hebben igének.

  1. Ik                             een grote familie.
  2. Zij                            een mooie tuin.
  3. Jij                             een nieuwe jas, toch?
  4. Wij                          vandaag geen les.
  5. Hij                            altijd veel werk.
  6. Jullie                       een afspraak om drie uur.
  7. U                              gelijk, meneer.
  8. Mijn vrienden en ik                           honger.
  9.                                  jij een momentje?
  10. De kinderen                         een kat en een hond.

4. Nederlands Plus - Dutch plus

Holland

Magyar

het hoofd (-en)

fej

het gezicht (-en)

arc

het oog (-en)

szem

het oor (-en)

fül

de neus (-zen)

orr

de mond (-en)

száj

de tand (-en)

fog

de nek (-en)

nyak

de schouder (-s)

váll

de arm (-en)

kar

de hand (-en)

kéz

de vinger (-s)

ujj

de borst (-en)

mellkas

de buik (-en)

has

de rug (-en)

hát

het been (-en)

láb

de knie (-en)

térd

de voet (-en)

lábfej

de teen (-en)

lábujj


Betegségek, tünetek

Holland

Magyar

Ik voel me niet goed.

Nem érzem jól magam.

Ik heb koorts.

Lázam van.

Ik hoest.

Köhögök.

Ik heb keelpijn.

Fáj a torkom.

Ik heb hoofdpijn.

Fáj a fejem.

Ik ben verkouden.

Meg vagyok fázva.

Mijn buik doet pijn.

Fáj a hasam.

Ik heb diarree.

Hasmenésem van.

Ik heb griep.

Influenzás vagyok.

5. Spreken - Speaking

    • Ben je weleens ziek geweest in Nederland?
    • Wat doe jij als je je niet goed voelt?
    • Wanneer ben jij voor het laatst verkouden geweest?
    • Heb je ooit koorts gehad? Hoe hoog was het?
    • Ga je snel naar de dokter of wacht je liever?
    • Welke klachten vind jij vervelend?

6. Extra oefeningen - Extra practice

  1. Ik                             hoofdpijn.
  2. Hij                            een nieuwe fiets.
  3. Wij                          morgen een toets.
  4. U                              gelijk, dokter.
  5. Zij                            een kat en een hond.
  6.                                  jij koorts?
  7. Mijn ouders                         een grote tuin.
  8. Jullie                       geen tijd.
  1. jij / hoofdpijn / heb
  2. koorts / heeft / u
  3. een afspraak / morgen / hebben / jullie
  4. buikpijn / jij / heb
  5. hebben / vrienden / veel / mijn / boeken
  1. Ik hoest veel. Ik ben                         .
  2. Ik heb 39 graden. Ik heb                                .
  3. Mijn                        doet pijn als ik praat.
  4. Na het eten heb ik pijn in mijn                    .
  5. Ik voel me niet goed. Ik heb                         .
    1. Wat kan ik voor u doen?                                a. Sinds maandag, dus vier dagen.
    2. Heeft u koorts?                                                 b. Nee, alleen rust en veel water.
    3. Hoest u ook?                                                      c. Ik voel me niet zo goed.
    4. Sinds wanneer heeft u klachten?               d. Ja, gisteren 38,5 graden.
    5. Moet ik medicijnen nemen?                        e. Een beetje, vooral ’s avonds.
    1. Fáj a fejem.
    2. Meg vagyok fázva.
    3. Lázam van.
    4. Fáj a hasam.
    5. Köhögök.

Antwoorden - Megoldások

A feladatok elvégzése a tanulási folyamat fontos része. Ne aggódj amiatt, hogy hány hibát követtél el – a hibázás a tanulás természetes és hasznos része.

Amikor ellenőrzöd a válaszaidat, próbáld megérteni, hogy miért az adott megoldás a helyes. Ez segít abban, hogy hatékonyabban tanulj, és a jövőben elkerüld ugyanazokat a hibákat.

  1. Ik heb een grote familie.
  2. Zij heeft/hebben een mooie tuin.
  3. Jij hebt een nieuwe jas, toch?
  4. Wij hebben vandaag geen les.
  5. Hij heeft altijd veel werk.
  6. Jullie hebben een afspraak om drie uur.
  7. U heeft gelijk, meneer.
  8. Mijn vrienden en ik hebben honger.
  9. Heb jij een momentje?
  10. De kinderen hebben een kat en een hond.
  1. Ik heb hoofdpijn.
  2. Hij heeft een nieuwe fiets.
  3. Wij hebben morgen een toets.
  4. U heeft gelijk, dokter.
  5. Zij heeft/hebben een kat en een hond.
  6. Heb jij koorts?
  7. Mijn ouders hebben een grote tuin.
  8. Jullie hebben geen tijd.
  1. Heb jij hoofdpijn?
  2. Heeft u koorts?
  3. Hebben jullie morgen een afspraak?
  4. Heb jij buikpijn?
  5. Hebben mijn vrienden veel boeken?
  1. Ik hoest veel. Ik ben verkouden.
  2. Ik heb 39 graden. Ik heb koorts.
  3. Mijn keel doet pijn als ik praat.
  4. Na het eten heb ik pijn in mijn buik.
  5. Ik voel me niet goed. Ik heb hoofdpijn.

1c, 2d, 3e, 4a, 5b

  1. Ik heb hoofdpijn.
  2. Ik ben verkouden.
  3. Ik heb koorts.
  4. Ik heb buikpijn.
  5. Ik hoest.