Skip to main content

1. Gesprek - Beszélgetés

A szöveg elolvasása nélkül nézd meg a videót, amelyben két ember beszélget a nyaralásáról, és próbáld megérteni, mi történik és mit mondanak az emberek.


A videó itt található.


Ne felejtsétek el lájkolni a videót és feliratkozni a csatornára

Nézd meg a videót, miközben olvasod a szöveget. Nézd meg, megértesz-e többet, és hogyan kell kiejteni a szavakat.


A: Hoi Lisa! Hoe was je vakantie?

B: Hoi Tom! Mijn vakantie was leuk. Ik was in Frankrijk.

A: Leuk! Wat deed je daar?

B: Ik zwom in de zee, ik wandelde in de bergen en ik at veel lekker eten.

A: Klinkt goed! Was je alleen?

B: Nee, ik was met mijn familie.

A: En hoe was het weer?

B: Het was warm en zonnig. En jij? Wat deed jij in de vakantie?

A: Ik bleef thuis. Ik las boeken, keek films en sliep veel.

B: Ook fijn! Soms is rusten het beste.

A: Ja, dat klopt! 

Olvasd el a  magyar fordítást. Győződj meg róla, hogy érted a holland beszélgetést.


A: Szia Lisa! Milyen volt a nyaralásod? 

B: Szia Tom! A nyaralásom jó volt. Franciaországban voltam.

A: Szuper! Mit csináltál ott?

B: Úsztam a tengerben, túráztam a hegyekben, és sok finom ételt ettem.

A: Jól hangzik! Egyedül voltál?

B: Nem, a családommal voltam.

A: És milyen volt az idő?

B: Meleg és napos volt. És te? Mit csináltál a nyaralás alatt?

A: Otthon maradtam. Könyveket olvastam, filmeket néztem és sokat aludtam.

B: Az is jó! Néha a pihenés a legjobb.

A: Igen, igaz!

Hallgasd meg a beszélgetést, és ismételd el az egyes mondatokat.

2. Woordenschat - Szókincs

Holland

Magyar

de vakantie (-s)

a nyaralás

Hoe was je vakantie?

Milyen volt a nyaralásod?

Frankrijk

Franciaország

Wat deed je daar?

Mit csináltál ott?

de zee (-en)

tenger

de berg (-en)

hegy

lekker eten

inom ételeket enni

met mijn familie

a családommal

zonnig

napos

thuis blijven

otthon maradni

boeken lezen

könyveket olvasni

films kijken

filmeket nézni

veel slapen

sokat aludni

ontspanning

pihenés

Dat is ook fijn.

Az is jó.

buitenland

külföld

3. Grammatica - Nyelvtan

Múlt idő II – rendhagyó igék

A holland nyelvben sok igének rendhagyó múlt ideje van. Ez azt jelenti, hogy nem a szabályos –te vagy –de végződést kapják, hanem meg kell tanulni őket külön.

Gyakori példák:

Jelen idő

Múlt idő *

Magyarul

zijn

was / waren

volt

hebben

had / hadden

volt neki

gaan

ging / gingen

ment

komen

kwam / kwamen

jött

doen

deed / deden

csinált

zien

zag / zagen

látott

eten

at / aten

evett

nemen

nam / namen

vett

lezen

las / lazen

olvasott

drink

dronk / dronken

inni

schrijven

schreef / schreven

írni

slapen

sliep / sliepen

aludt

* Az első alak egyes szám, a második többes szám.

A kérdő mondatokban az alany és az ige felcserélődik, ugyanúgy, mint a jelen időben:

  • Wat deed je gisteren? → Mit csináltál tegnap?
  • Waar ging hij op vakantie? → Hová ment nyaralni?

A tagadó szórend szintén ugyanaz, mint jelen időben: a „niet” szó az ige után áll:

  • Ik ging niet naar het strand. → Nem mentem a strandra.
  • Ik werkte gisteren niet thuis. → Tegnap nem otthon dolgoztam.

Töltsd ki a megfelelő múlt idejű igealakkal.

  1. Ik                             gisteren naar het park. (gaan)
  2. We                          een mooi boek. (lezen)
  3. Hij                            geen koffie. (drinken)
  4. Jij                             een lange e-mail. (schrijven)
  5. Zij                            een broodje in de lunchpauze. (eten)
  6. Jullie                       laat op school. (komen)
  7. Wij                          een interessante film. (zien)
  8. Ik                             mijn sleutels niet mee. (nemen)
  9. U                              thuis en niet op kantoor. (zijn)
  10. Hij                            zijn huiswerk. (doen)

4. Nederlands Plus - Dutch plus

Olvasd el, és próbáld megérteni ezt a szöveget Magyarországról.


Welkom in Hongarije

Hongarije is een mooi land in Midden-Europa. De hoofdstad is Boedapest. Dat is een grote en levendige stad met de rivier de Donau in het midden. Je kunt er mooie gebouwen, bruggen en badhuizen zien. Veel mensen bezoeken het parlement en het Buda-kasteel.

In Hongarije eet je lekker. Typische gerechten zijn goulashsoep en lángos. In de zomer zijn er veel festivals en concerten. Het Balatonmeer is een populaire plek voor vakantie. Mensen zwemmen, zeilen en wandelen daar graag.

Hongaren zijn vriendelijk en gastvrij. In het land spreken mensen Hongaars, maar in Boedapest spreken veel mensen ook Engels of Duits.

Kom naar Hongarije en ontdek de cultuur, natuur en het lekkere eten!


Jellegzetes magyar szavak

Holland

Magyar

de Donau

Duna

de Poesta

puszta

de Hongaarse salami

magyar szalámi

de goulashsoep

gulyásleves

thermale baden

termálfürdők

de volksdans (-en)

néptánc

Boedapest

Budapest

de paprika

paprika

bezienswaardigheid

látnivaló

het meer (-en)

de rivier (-en)

folyó

de hoofdstad (hoofdsteden)

főváros

het kuuroord (-en)

gyógyfürdő

5. Spreken - Speaking

    • Waar was jij in de vakantie?
    • Wat deed je op vakantie?
    • Met wie was je op vakantie?
    • Hoe was het weer?
    • Wat vond je het leukst op vakantie?
    • Heb je veel gerust of veel gedaan?
    • Ging je naar het buitenland of bleef je thuis?
    • Wat at je op vakantie?
    • Wat voor weer vind jij fijn op vakantie?
    • Lees jij graag boeken op vakantie?

6. Extra oefeningen - Extra practice

  1. Ik                                             naar Frankrijk. (gaan)
  2. Zij                                            met haar vrienden. (komen)
  3. Hij                                            een broodje kaas. (eten)
  4. Wij                                          veel foto’s. (nemen)
  5. Jij                                             een spannend boek. (lezen)
  6. De kinderen                                         op vakantie. (zijn)
  7. Ik                                             tot tien uur. (slapen)
  8. Jullie                                       een film in de bioscoop. (zien)
  9. Hij                                            zijn huiswerk niet. (doen)
  10. Wij                                          geen geld bij ons. (hebben)
  1. Jij ging naar Spanje. → Waar … ?
  2. Ik at pizza. → Wat … ?
  3. Hij las een boek. → Welk boek … ?
  4. Wij kwamen laat thuis. → Wanneer … ?
  5. Zij deed sport in de vakantie. → Welke sport … ?
  1. Waar was je in de vakantie?         a. Ik was met mijn familie.
  2. Hoe was het weer?                          b. Ik wandelde in de bergen en zwom in de zee.
  3. Met wie was je?                                c. Het was warm en zonnig.
  4. Wat deed je daar?                            d. In Frankrijk.
  5. Wat vond je het leukst?                 e. De zee vond ik het leukst!
      1. Tegnap sokat aludtam.
      2. Hol voltál nyáron?
      3. Ő Franciaországban volt.
      4. Mi sok könyvet olvastunk.
      5. A gyerekek nem mentek a strandra.
        1. A: Hoe was je vakantie?
          B:                                            
        2. A: Wat deed je in de vakantie?
          B:                                            
        3. A: Ging je naar het buitenland?
          B:                                            

                a. Ik las boeken en keek films.

                b. Ja, ik was in Frankrijk.

                c. Het was heel leuk!

Antwoorden - Megoldások

A feladatok elvégzése a tanulási folyamat fontos része. Ne aggódj amiatt, hogy hány hibát követtél el – a hibázás a tanulás természetes és hasznos része.

Amikor ellenőrzöd a válaszaidat, próbáld megérteni, hogy miért az adott megoldás a helyes. Ez segít abban, hogy hatékonyabban tanulj, és a jövőben elkerüld ugyanazokat a hibákat.

  1. Ik ging gisteren naar het park.
  2. We lazen een mooi boek.
  3. Hij dronk geen koffie.
  4. Jij schreef een lange e-mail.
  5. Ellen at een broodje in de lunchpauze.
  6. Jullie kwamen laat op school.
  7. Wij zagen een interessante film.
  8. Ik nam mijn sleutels niet mee.
  9. U was thuis en niet op kantoor.
  10. Hij deed zijn huiswerk.
  1. Ik ging naar Frankrijk.
  2. Zij kwam met haar vrienden.
  3. Hij at een broodje kaas.
  4. Wij namen veel foto’s.
  5. Jij las een spannend boek.
  6. De kinderen waren op vakantie.
  7. Ik sliep tot tien uur.
  8. Jullie zagen een film in de bioscoop.
  9. Hij deed zijn huiswerk niet.
  10. Wij hadden geen geld bij ons.
  1. Waar ging jij naartoe?
  2. Wat at ik?
  3. Welk boek las hij?
  4. Wanneer kwamen wij thuis?
  5. Welke sport deed zij in de vakantie?

1d, 2c, 3a, 4b, 5e

  1. Ik sliep veel gisteren.
  2. Waar was je in de zomer?
  3. Hij was in Frankrijk.
  4. We lazen veel boeken.
  5. De kinderen gingen niet naar het strand.

1c, 2a, 3b